01/02
2021

'De goede baan' is aan herdefiniëring toe

Het gebeurde onlangs weer: op een verjaardag vertelde iemand dat “Jaap een hele goede baan had bij …”. Natuurlijk had ik wel een idee van wat de verteller daarmee bedoelde, maar ik besloot eens door te vragen. “Wat bedoel je eigenlijk met ‘een goede baan’?” vroeg ik. Met licht ongemak antwoordde hij: “Nou gewoon, hij heeft onlangs de nieuwste BMW 5 serie gekocht, dan heb je best een goede baan toch?”

De goede baan

Het praten over ‘goede banen’ is iets wat vaak gebeurt en wat iedereen herkent. Vaak wordt het begrip niet verder toegelicht omdat iedereen weet wat ermee wordt bedoeld. De kenmerken zijn grofweg: hoog in hiërarchie, veel aanzien én een riant salaris. De manier waarop en de vanzelfsprekendheid waarmee het begrip ‘goede baan’ geladen wordt, brengt echter steeds meer ongenoegen bij mij teweeg. Dat ongenoegen zit in het feit dat er bij deze definitie weinig oog is voor de betekenis van ‘goed’ zoals deze in de Van Dale beschreven staat, namelijk: deugdzaam, kwaliteit bezittend, goedhartig en heilzaam. Hetgeen gewaardeerd wordt en aanzien krijgt bij het praten over ‘goede banen’, is vooral het hoge salaris of de vergaarde rijkdom. Natuurlijk kan rijkdom of een hoog salaris heel goed samengaan met goed of ‘heilzaam’ werk. Maar het is doorgaans het financiële aspect waar men op doelt wanneer men spreekt van een goede baan, en niet het heilzame aspect. Een belangrijke vraag die we wat mij betreft (opnieuw) zouden moeten stellen is: wat maakt werk goed werk? En welke banen zouden we ─ vooral, of meer ─ moeten waarderen, in salaris, erkenning en aanzien?

Bijdrage aan de maatschappij

De laatste tijd is er in toenemende mate aandacht voor deze vraag. Zo schreven Rutger Bregman en Jesse Frederik in 2016 al kritisch over de manier waarop we werk waarderen. In het boek ‘Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers’ stellen de auteurs dat vuilnismannen werk doen waar we niet zonder kunnen, terwijl voor andere mensen geldt dat, als ze plotseling stoppen met hun werk, ze de wereld niet armer, lelijker of leger achterlaten. Bregman: “Het bizarre is: juist banen waar nauwelijks iets van waarde wordt gecreëerd – zoals telemarketeers en flitshandelaren – betalen vaak het beste.”

Ook econome Mariana Mazzucato wil met haar boek ‘De waarde van alles’ het debat over wat waarde is nieuw leven inblazen. Volgens haar zou het creëren van welvaart en publieke waarde het belangrijkste uitgangspunt moeten zijn bij de mate waarin werk wordt gewaardeerd. Mazzucato schetst in haar boek hoe economie aanvankelijk ging over de waarde van land als productiefactor voor voedsel en andere gewassen. Daarna werd dit uitgebreid naar arbeid en kapitaal. De prijs van een goed of dienst weerspiegelde de waarde, en die waarde kwam voort uit wat werkelijk werd toegevoegd.

Waarde

Maar in de huidige markteconomie wordt de prijs niet meer door toegevoegde waarde bepaald. Sterker nog: het onttrekken van waarde – het toe-eigenen van winsten, zoals dividenden voor aandeelhouders en bonussen voor bankiers – wordt vaak beter beloond dan het scheppen van waarde: de motor van een gezonde economie en samenleving. Mazzucato illustreert dit onder andere met techbedrijven die met een claim op innovatieve kracht in werkelijkheid profiteren van overheden en publiek geld. Ze onttrekken waarde: ze gebruiken door anderen geproduceerde goederen of diensten en strijken zelf de winst op. Hoe is het mogelijk, zo vraagt Mazzucato zich af, dat we de overheid zien als bureaucratisch en saai, terwijl deze enorme waarde toevoegt aan de samenleving, in de vorm van risicovolle investeringen, innovaties, welzijn en de publieke sector?

Onlangs verschenen rapporten van gerenommeerde instanties – zoals de WRR, de SER en de UvA – pleiten eveneens voor meer focus op de waarde die werk toevoegt aan de maatschappij in plaats van op financiële parameters. Ook David Goodhart schrijft in zijn boek ‘Head, Hand and Heart. The Struggle for Dignity and Status in the 21st Century’  dat bij de waardering van werk eigenschappen als integriteit, ervaring, moed en gezond verstand tegenwoordig bijna geen rol meer spelen. Hij vraagt zich af hoe het kan dat we de ‘key workers’ in onze maatschappij – zoals zorgmedewerkers, schoonmakers en supermarktmedewerkers – zo onderwaarderen. Goodhart: “Een enorme sociale stofzuiger heeft de status weggezogen van de hand- en hartbanen en verplaatst naar de hoofdbanen.” Kortom: het lijkt erop dat we bij het waarderen van werk – in salaris, erkenning of aanzien – zijn afgedreven van een belangrijke graadmeter, namelijk: de waarde die werk toevoegt aan de maatschappij.

Herdefiniëren van ‘de goede baan’

Hoe we werk waarderen is geen statisch gegeven. De afgelopen jaren signaleerden we in het FWG trendonderzoek een voorzichtige verschuiving in hoe we naar werk kijken en wat we van waarde vinden. Het lijkt erop dat het tijd is om ‘waarde(ring) van werk’ te herijken, en om in het verlengde van de wetenschappelijke discussie over ‘goed werk’ ook in het dagelijkse debat de definitie van ‘een goede baan’ te herzien. Het één (een goed salaris) sluit het ander (het leveren van een maatschappelijke bijdrage) natuurlijk niet uit, maar het is aan ons wat we waarderen in mensen en banen, en wat we voorop stellen wanneer we het hebben over een ‘goede baan’. Het opnieuw laden van taal kan een krachtige motor zijn voor verandering. Ik zal op een volgende verjaardag eens experimenteren en kijken wat er gebeurt wanneer ik trots ga vertellen over de goede baan van mijn oom die het ziekenhuis schoonhoudt. Mijn neef die de vakken vult in de supermarkt. Of mijn buurvrouw die lesgeeft op een basisschool

Dr. Geertje van de Ven
Manager R&D/senior onderzoeker bij Stichting FWG

Bron: Tijdschrift voor HRM

Reacties

Onze partners