Logo

Inbedding belangrijk criterium voor zzp, maar wat betekent dat nou precies?

Inbedding belangrijk criterium voor zzp, maar wat betekent dat nou precies?

7 jul 2023
Inbedding ZZP IC verpleging.png

Minister Van Gennip gaat ‘inbedding’ als belangrijk onderscheid voor zzp verder inkleuren. Voor de sectoren zorg, onderwijs en opvang onderzoekt ze aanvullende maatregelen.

Wat is nou precies het onderscheid tussen zzp en loondienst? Tijdens een commissiedebat van de Tweede Kamer over zzp blijkt het begrip ‘inbedding’ veel vragen op te roepen bij de parlementariërs. ‘Gaat het hier om inbedding van het werk, of inbedding van de werkende?’, vroeg Romke de Jong van D66.

De vragen betreffen de kamerbrief waarin minister Van Gennip uiteenzette hoe ze duidelijker onderscheid wil maken tussen een werknemer en een zzp’er.

De minister noemt daarin drie hoofdcriteria:

  1. Feitelijk gezag en toezicht (klassieke elementen zoals leiding, toezicht, aanwijzingen geven etc. zijn daarbij relevant)
  2. Inbedding in de organisatie: van het werk en de medewerker die het werk verricht
  3. De contra-indicatie voor een arbeidsovereenkomst: is sprake van een werkende die daadwerkelijk zelfstandig ondernemerschap vertoont in de betreffende arbeidsrelatie.

Wat is inbedding?

Tijdens de vragenronde gaf de minister extra uitleg. 'We kijken naar de inbedding van het werk én naar de inbedding van de werkende. Soms, maar niet altijd, loopt dat in elkaar over. De inbedding van de werkende volgt in veel gevallen de inbedding of de structurele integratie van het werk. Als er sprake is van een kernactiviteit van de organisatie, dan horen daar doorgaans organisatorische kaders bij voor de werkende. Een ic-verpleegkundige die op de ic werkt, is ingebed, omdat dat een kernactiviteit is en natuurlijk ook omdat hij of zij onder gezag werkt. Dat is de inbedding op hoofdlijnen.'

Nog in 2023 gaat de minister verder uitwerken wat die ondernemerscriteria zijn en wat ‘inbedding’ precies inhoudt. Op basis van jurisprudentie werkt ze toe naar een lijst van criteria die de drie hoofdelementen verder inkleuren. Daarbij wordt ook bekeken welke criteria het zwaarste wegen.

Minimuurtarief € 30 à € 35

Een extra criterium voor schijnzelfstandigheid is een minimumuurtarief. In het commissiedebat noemt de minister een uurtarief van € 30 à € 35, maar vast staat dit nog niet. Bij een lager tarief zou dan een ‘ rechtsvermoeden van werknemerschap’ gaan gelden. Het is vervolgens aan de opdrachtgever om te bewijzen dat er wel degelijk sprake is van ondernemerschap.

Aanvullende maatregelen zorg, onderwijs en kinderopvang

Vooral in de sectoren zorg, onderwijs en kinderopvang noemt de minister de situatie zorgelijk. ‘In de sectoren kinderopvang, onderwijs en zorg is de schijn­zelfstandig­heid­problematiek dusdanig urgent dat de continuïteit en de kwaliteit van de aangeboden diensten onder druk komt te staan. Kort gezegd, de toenemende inzet van zzp’ers in deze sectoren doorkruist de benodigde continuïteit.’

Speciaal voor deze sectoren is door het ministerie van Sociale Zaken een programma opgezet onder de naam PNIL (personeel niet in loondienst). Hoewel onder PNIL ook gedetacheerden en uitzendkrachten vallen, gaat het programma uitsluitend over zzp’ers.

Drie mogelijke maatregelen 

Het programma heeft nieuwe, aanvullende maatregelen onderzocht om het aandeel zzp’ers in de zorg, onderwijs en kinderopvang terug te dringen.

Drie maatregelen zijn verkend:

  1. Een maximum instellen aan het percentage (schijn)zelfstandigen.
  2. Een verbod op het werken als (schijn)zelfstandige in bepaalde functies.
  3. Een rechtsvermoeden van werknemerschap bij bepaalde functies - ofwel bij bepaalde functies mag je ervan uitgaan dat sprake is van schijnzelfstandigheid.

Juridische en praktische bezwaren

Geen van de drie scenario’s is ideaal, schrijft de minister. Aan de eerste twee scenario’s kleven juridische bezwaren. Deze richten zich namelijk niet op schijnzelfstandigen, maar op zelfstandigen in het algemeen en dit zou wel eens kunnen botsen met Europese regelgeving.
Het derde scenario, dat uitgaat van een rechtsvermoeden van werknemerschap, is juridisch wel haalbaar, maar daarbij is het de vraag of het in de praktijk zal worden ingezet. ‘Het zijn juist de werkenden zelf die in deze sectoren kiezen om te gaan werken als zelfstandige. Zij hebben daardoor waarschijnlijk weinig belang om zich te beroepen op een rechtsvermoeden van werknemerschap.’

Buiten de juridische bezwaren is het nog maar de vraag of de maatregelen uitvoerbaar zijn. Zo voert minister aan dat ‘het handhaven op percentages of specifieke functieomschrijvingen geen sinecure’ is.

Tijdelijke stop handhaving

De tijdelijke stop op handhaving door de Belastingdienst loopt per 1 januari 2025 af. In de aanloop ernaartoe wordt de handhaving versterkt en zal er voor werkgevers meer vooroverleg met de Belastingdienst mogelijk zijn. Op de vraag of zorg en onderwijs extra in de gaten wordt gehouden, wilde minister Van Rij (fiscaliteit en Belastingdienst) tijdens het commissiedebat niet expliciet antwoord geven. Wel zei hij: ‘Er wordt altijd vanuit een risicomatrix bekeken waar de grootste risico's zitten. Dat is natuurlijk toch in bepaalde sectoren waar een vermoeden is van schijnzelfstandigheid.’

Bron: XpertHR

Onze partners